Melle schilder | aquarellist | tekenaar

Biografische schets

Koos Levy-van Halm

1908-1922, een terugblik

Melle Johannes Oldeboerrigter werd op 27 mei 1908 geboren op Wittenburg, een Amsterdamse woonwijk die grenst aan het oostelijke havengebied. Hij was het jongste kind en enige zoon in een gezin van drie kinderen. Beide ouders, die drieënveertig en zevenendertig jaar oud waren toen Melle geboren werd, hadden al een bewogen leven achter zich. Zijn vader, Hendericus Oldeboerrigter, was op 31 januari 1865 geboren in het plaatsje Nijega in Friesland Op twaalfjarige leeftijd monsterde hij aan op een zeilschip, als beginnend matroos en bracht het tot bootsman. Van huis uit katholiek, werd hij al jong socialist en was politiek actief in de Zeeliedenbond, een organisatie die onder invloed stond van de sociaal-anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis.

De praktisch ingestelde moeder van Melle, Johanna Geertruida de Vries, afkomstig uit Harlingen, werd geboren op 3 juli 1870. Ze was weduwe toen ze met Hendericus trouwde. Ze had voor haar dertigste levensjaar al een groot verlies moeten incasseren door de dood van haar eerste echtgenoot en twee kinderen, als gevolg van tuberculose. Een van de overleden kinderen heette ook Melle. Dit verleden was Melle en zijn vier en twee jaar oudere zusjes, Liberta en Henriëtte, vagelijk bekend; hun moeder onderhield contact met de familie van haar overleden man. Zelf sprak ze zelden over de gebeurtenissen en de ware toedracht werd pas in 1942 aan Melle verteld. Als jonge vrouw beschikte ze over voldoende spankracht om de nieuwe gezinssituatie aan te kunnen. Met een man op zee was de angst voor een nieuw verlies echter altijd aanwezig en soms zeer reëel, zoals tijdens de Eerste Wereldoorlog toe het gerucht ging dat het schip waarop Hendericus voer, getorpedeerd zou zijn. In dergelijke crisissituaties mochten de kinderen hun emoties tonen en werd er veel gehuild.

Er bestond een hechte band tussen de kinderen onderling. In het geboortehuis aan de Derde Wittenburgerdwarsstraat 32, waar zes gezinnen op drie verdiepingen woonden, had de familie in de halve achterwoning op de derde verdieping de beschikking over een kamer met alkoof en een keukentje. Zoals te doen gebruikelijk, sliep het hele gezin in de alkoof. Het betrof hier een afgescheiden ruimte achter in de kamer, waar zich aan weerskanten tegen de muur - en in het midden van elkaar gescheiden door een gordijn - een ruime bedstede bevond.

Klik en lees meer

De Oostelijke Eilanden - Wittenburg, Kattenburg en Oostenburg - waren door slechts twee bruggen met de rest van Amsterdam verbonden. Het straatbeeld op Wittenburg werd bepaald door in haast opgezette negentiende-eeuwse woningbouw en de nog aanwezige scheepswerven. Jeugdige eilandbewoners, ook Melle, verkenden de omringende natuur of trokken de stad in. Melle zag meer dan de meeste kinderen; dat dankte hij aan zijn aanleg en opvoeding. Hij maakte kennis met populaire deeltjes, zoals In sloot en plas van E. Heimans en J.P. Thijsse, die in het gezin circuleerden. Melle verhaalde in een interview in het Algemeen Handelsblad (1970) dat hij er altijd op uittrok met vriendjes om stekelbaarsjes en kikkervisjes te vangen. De interesse was naar zijn zeggen gestimuleerd door de jeugdbeweging en door mensen als Thijsse, van wie hij veel leerde: ‘Stekeltjes zijn d’r niet meer. Kikkers ook niet... En waar vinden ze nog een mierenhoop? Ik kon ’t allemaal als kind al tekenen’. 

Zijn tekentalent werd inderdaad al vroeg opgemerkt; hij kon dit zowel thuis als op school ontplooien. Toch ervoer hij zijn lagere schooltijd niet als een gelukkige periode. Een moeilijk te onthouden naam en zijn linkshandigheid vormden een struikelblok. Op de kakschool, zoals hij de kleuterschool noemde, liep hij met een briefje op zijn boezelaar gespeld, waarop zijn naam geschreven stond. Melle was een dromerig kind en had een rijke fantasiewereld.

In een interview met Ischa Meijer (1972) noemde Melle zijn jeugd arm maar wel gezellig. Met zijn moeder had hij een speciale band. Hij omschreef haar als een wijze vrouw. Hij vond bij haar troost, na de vele ‘visionaire nachtmerries’ die niet zo veel verschilden  van de ‘beeldgolven’ die hem in zijn latere leven ‘overspoelden’. Van wat ze verdiende als aanvulling op het loon van haar varende echtgenoot, trakteerde de moeder haar kinderen. Tekenmateriaal was altijd voorhanden. Soms nam ze een cadeautje mee. Een wel heel bijzonder geschenk was het zogenaamde kattenboek van de graficus Steinlen. Later zou de jonge tekenaar Melle ook kennis maken en beïnvloed worden door het andere werk van deze sociaal bewogen kunstenaar.

Hoewel veel afwezig, had Melle’s vader eveneens een grote inbreng met betrekking tot de opvoeding. Als overtuigd socialist slaagde hij er heel goed in om zijn principes op zijn kinderen over te brengen. Alle drie waren ze al jong lid van het socialistische zangkoor De Jonge Proletaar. Behalve dat er op zondagochtend ter ontspanning gezongen en gedanst werd, moesten de kinderen cantates met moeilijk te begrijpen teksten instuderen. Het koor dat de viering van de zeventigste verjaardag van Domela Nieuwenhuis in 1916 opluisterde in het Amsterdamse Concertgebouw, zong hem toe als ‘Vader Nieuwenhuis’. Melle prees zich achteraf gelukkig bij een dergelijk evenement aanwezig te zijn geweest en omschreef de socialistische voorman als een Sinterklaas in burger. Betrokken te zijn bij een historisch belangrijke periode beleefde hij als een verrijking van zijn bestaan. Een dergelijk besef was ook aanwezig bij zijn vader: deze kon nooit zonder emoties verhalen van de Matrozenopstand in Kiel in 1918 - waardoor Hamburg voor korte tijd in handen kwam van een arbeiders- en soldatenraad - waarvan hij getuige was geweest.

Melle noemde zich later gevoelssocialist. In tegenstelling tot zijn vader schuwde hij de actieve strijd enigszins. Zijn beeldend vermogen stelde hem evenwel in staat op een heel eigen wijze te reageren.

1922

Melle wordt aangenomen op de grafische school in Amsterdam, om het vak van letterzetter te leren. Hij is dan veertien jaar. In de avonduren volgt hij een cursus vaktekenen en lessen lithografie. Tijdens zijn opleiding sluit hij zich aan bij een anarchistische jeugdbeweging rond het blad De Moker; een opruiend blad voor jonge arbeiders. Het blad, dat gekenmerkt wordt door een goede typografische verzorging en een radicale inhoud, wordt in eigen beheer uitgegeven. Melle maakt voor het blad een aantal illustraties. Als groot voorbeeld geldt de Belgische kunstenaar Frans Masereel. De groep, die stelling neemt tegen de gevestigde orde, is vervuld van idealen. Men kampeert gemengd, zwemt naakt, rookt en drinkt niet. Tijdens de congressen buiten, houden prominente figuren als Anton Constandse en Bart de Ligt lezingen.

Een kleine groep staat een meer ongebonden leven voor. Ook Melle voelt zich hiertoe aangetrokken en wil een tijdlang met zijn gitaar zingend door Europa trekken. Zijn vader raadt hem een dergelijke leefwijze af, omdat hij het oneens is met de uiterste consequentie van het anarchisme. Hij is voor een bepaalde vorm van discipline en een maatschappelijke aanpassing. Melle geeft gehoor aan zijn vaders verzoek om zijn opleiding af te maken en vervolgens werk te gaan zoeken. Als volwassene komt Melle tot de conclusie dat de discipline die hij als typograaf heeft moeten aanleren, de juiste attitude is om als schilder te slagen.

1925

Melle is met korte tussenpozen werkzaam op tal van drukkerijen. Op één ervan wordt een zogenaamd schuin blaadje gedrukt met de naam Zwarte Kat, waaraan hij zijn medewerking verleent.

Melle zelf hierover in Het Vrije Volk (1975): ‘Als jongen maakte ik tekeningen voor pornografische blaadjes. Omdat ik niet rookte en niet dronk en ik ook nog in de jeugdbeweging zat, potte ik het geld op. Op een gegeven moment heb ik het toen maar in een revolutionair jeugdblaadje gestoken…’.

1926

Melle weigert gehoor te geven aan een oproep voor militaire dienst. Tijdens het uitdelen van anarchistische, antimilitaristische pamfletten bij de kazerne wordt hij opgepakt, maar na veertien dagen vrijgelaten. Hij ontkomt aan een langdurige gevangenisstraf, omdat hij wordt afgekeurd vanwege zijn tengere postuur.
In deze tijd leert Melle Marth Bruijn kennen, danseres bij een experimentele dansgroep onder leiding van Florrie Rodrigo.

1930-1934

Melle gaat bij de Arbeiderspers werken als letterzetter en wordt bij het daar uitgegeven dagblad Het Volk opmaker. Hij ontwikkelt zich tot een vaardig typograaf en werkt razendsnel. In zijn vrije tijd tekent hij veel met krijt en pastel in dummy's, die zijn te beschouwen als getekende dagboeken. Een schrijnend krantenbericht is vaak aanleiding voor een getekende notitie. Later gaat hij ook aquarelleren, soms op groot formaat, waarvan hij een enkele serie laat inbinden. Hij vernietigt eveneens veel werk. Om al de werkzaamheden te kunnen combineren vraagt hij om nachtdiensten bij de drukkerij. Met de chef van de nachtredactie, Lex Althoff, raakt Melle bevriend. Deze introduceert hem bij de kunstenaarssociëteit De Kring, waar Melle contact legt met schrijvers als Gerard den Brabander, Jacob Hiegentlich, Jac. van Hattum en kunstenaars als Henk Harriet en Willy Sluiter. Hij tekent voor politiek geëngageerde bladen en illustreert boeken en boekomslagen, onder meer voor de in ballingschap opgezette uitgeverij Boekenvrienden Solidariteit van H. Kohn.

1934

Na een aantal tijdelijke adressen gaan Melle en Marth wonen aan de Amsteldijk nr. 62. Om principiële redenen trouwen zij niet. Beide zijn politiek actief.

1935-1936

Melle sluit zich aan bij de Bond van Kunstenaars ter Verdediging van de Kultuur en in het kader daarvan verleent hij in 1936 medewerking aan de inrichting van de veelzijdige tentoonstelling De Olympiade onder dictatuur in het gebouw De Geelvinck te Amsterdam.

1938

Melle begint met schilderen, zoals blijkt uit een eigenhandig geschreven notitie.

De historicus J. Presser is de eerste koper van een olieverfschilderij. De auteur Theun de Vries schrijft als eerste een beschouwing over het (grafische) werk van Melle in Kroniek van Hedendaagse Kunst en Kultuur.

1940-1944

Na het uitbreken van de oorlog worden tal van mensen die een onderduikadres zoeken, aan de Amsteldijk opgevangen.

Melle blijft werken bij de Arbeiderspers. Tegelijkertijd ziet hij kans om buiten het bedrijf zetsel te leveren voor illegaal drukwerk, zoals het verzetsblad De Vonk. Als de zorg voor het dagelijks leven het toelaat, tekent en schildert Melle. Zijn productie is in de eerste jaren van de oorlog omvangrijk. Noodgedwongen schildert hij soms met inferieur materiaal, bij voorbeeld drukinkt.

Eigenaars van werk uit deze beginperiode zijn onder andere: de binnenhuisarchitect Jaap Penraat, de danseres Florrie Rodrigo, de arts Wim Storm, de auteur Maurits Dekker, de chef van de nachtredactie van Het Volk Lex Althoff, de industrieel Edie de Swaan en de antiquair Jac. Vecht, die ook een serie geaquarelleerde grassen in boekvorm bezit.

1944

In het november-nummer van het illegale blad De Vrije Kunstenaar - in 1942 opgericht door de verzetsgroep van Gerrit Jan van der Veen - blijkt een van de weinige tekeningen die het blad opneemt, van Melle te zijn. Lou Lichtveld (Albert Helman), die een hechte vriendschap met Melle onderhoudt, is op dat moment redacteur. Mederedacteur L.P.J. Braat merkt in een commentaar naar aanleiding van een facsimile-uitgave op (1970): ‘Wie toen deze prachtige tekening ‘‘Lotsverbondenheid’’ - een zich volvretende Duitse soldaat, tegenover hem een uitgemergeld Nederlands kind - zag, wist meteen welke bekende schilder en tekenaar dit gemaakt had’. Een eigen notitie van Melle over deze periode luidt: ‘... in november stagneert al het werk, geen licht en geen kolen en geen huis’.

Melle gaat bij Puck van Hilst - zijn latere echtgenote - wonen aan de Stadhouderskade 90.

1945

Melle geeft zijn baan op en wijdt zich uitsluitend aan de kunst. Hij houdt zijn atelier aan de Amsteldijk. Puck zorgt voor een regelmatig inkomen door haar werk als pedicure.
Op de tentoonstelling Kunst in vrijheid in het Rijksmuseum te Amsterdam exposeert Melle met vier olieverfschilderijen. 

Een kleine groep van bewonderaars koopt regelmatig werk. In moeilijke tijden wordt Melle gesteund door goede vrienden zoals de gebroeders De Swaan.
Als nevenactiviteit verleent Melle zijn medewerking aan het weekblad De Vlam, socialistisch weekblad voor vrijheid en cultuur. Onder het pseudoniem Frits verschijnen tekeningen op de voorpagina. Het blad, dat voortgekomen is uit het illegale blad De Vonk, met de arts Wim Storm als hoofdredacteur, wordt mede geredigeerd door onder anderen Henriëtte Roland Holst, Jef Last en Tom Rot.

1946

Tentoonstelling van teekeningen van Melle is de titel van de eerste eenmanstentoonstelling gehouden in Galerie Lemaire, Leidsestraat 28, Amsterdam.

1947

De eerste tentoonstelling, waar zowel tekeningen, aquarellen als schilderijen geëxposeerd worden, is in Huize Sluiter in Groningen. De dichter-schilder Hendrik de Vries houdt een inleiding.

De vader van Melle overlijdt.

Een serie tekeningen ontstaat met titels als Oude man in bed, Laatste stappen van een oude man, Riekus in grot, Nog bij moeder.

1948

De moeder van Melle overlijdt.

1949

Eerste tentoonstelling bij Boek- en Kunstantiquariaat Magdalena Sothman, Nieuwezijds Voorburgwal 284 in Amsterdam.

1950

In Hamburg wordt de eerste buitenlandse tentoonstelling georganiseerd in Galerie Rudolf Hoffmann.

1953

Melle en Puck verhuizen naar de Weteringschans 126. Melle krijgt een deeltijdbaan als praktijkleraar letterzetten aan het Instituut voor Kunstnijverheids-onderwijs, de latere Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. In hetzelfde jaar wordt zijn aanstelling uitgebreid met het vak typografie aan de afdeling gebonden grafiek.

1955

Puck van Hilst en Melle Oldeboerrigter treden in het huwelijk.

De directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, Jhr. W. Sandberg, acht twee van de drie door een jury uitgekozen schilderijen voor een tentoonstelling die is opgezet om het feit te vieren dat Nederland tien jaar geleden bevrijd is, niet geschikt voor expositie. Hiermee schaart hij zich bij andere museumdirecties die werk van Melle weigeren. Vlak voor de opening wordt Melle alsnog in de gelegenheid gesteld twee andere schilderijen in te sturen.

1958

De sexuoloog C. van Emde Boas publiceert een omstreden artikel in het januari-nummer van het literaire tijdschrift De Nieuwe Stem, waarin een analyse wordt gegeven van het werk van Melle met een verwijzing naar diens jeugdsituatie.

Een groep vrienden en familieleden organiseert een feest in café Schiller ter gelegenheid van Melle’s vijftigste verjaardag. De cineast Max de Haas maakt een film van het gebeuren.

1961-1962

De Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945 kent aan Melle de prijs voor de beeldende kunst toe. Melle weigert de prijs, wanneer hij verneemt dat een van de juryleden lid van de Kultuurkamer is geweest.

1965

Ter gelegenheid van de achtste Biennale wordt er werk van Melle geëxposeerd te Saõ Paolo. J.N. van Wessem, de bij de inrichting van deze expositie aanwezige directeur van het Stedelijk Museum De Lakenhal in Leiden, brengt Melle schriftelijk op de hoogte van het enthousiasme dat zijn werk heeft gewekt, vooral bij buitenlandse kunstenaars.

1967

De functie aan de Gerrit Rietveld Academie wordt uitgebreid met het docentschap schilderen aan de afdeling vrije grafiek.

Melle krijgt het Keerkring-zegel van het kunstenaarsgenootschap De Keerkring, waarvan een aantal leden hem beschouwd als de ‘grootste levende schilder’.

1968

Koninklijke onderscheiding; Melle wordt op 29 april Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Een comité bestaande uit vrienden, organiseert een feest in de Koningszaal van Artis ter gelegenheid van Melle’s zestigste verjaardag. Tevens wordt op instigatie van het comité bij uitgeverij Van Oorschot een map met twaalf reproducties en twee steendrukken uitgebracht.

Grote overzichtstentoonstelling in het Rijksmuseum Twenthe, Enschede.

In het kader van de vara-televisieserie Signalement wordt onder leiding van Henk de By een programma over Melle gemaakt, een van de eerste kunstprogramma’s in kleur.

1969

In Stockholm is Melle met werk vertegenwoordigd op de belangrijke thematische tentoonstelling The second international exhibition of erotic art.

1972

Grote overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam en in het Gemeentemuseum Arnhem.

1973

Melle wordt gepensioneerd.

1974

Samenwerkingsproject met oud-leerlinge Ruscha Langelaan: Duoschilderij.

1976

Op 24 mei overlijdt Melle ten gevolge van een hartaanval en wordt hij op 28 mei begraven op de Oosterbegraafplaats te Amsterdam.Amsterdam, juli 1988

(uit: ‘Melle schilder, aquarellist, tekenaar, Amsterdammer’, Joh. Enschedé en Zonen, Haarlem, 1988, p. 108 e.v.)


sluit bovenstaande tekst